3 Wat kunt u en wat wilt u?

U ziet foto’s van mensen in verschillende beroepen.

Deze mensen werken op het land. Dat is de agrarische sector.

Lees de zinnen over deze beroepssector.

Klik dan op het goede antwoord.

Informatie

De datum van vandaag is:20 mei 2012

Vraag 1:

U werkt vaak buiten.

Vraag 2:

In de kassen is het vaak erg koud.

Vraag 3:

Een goede gezondheid is erg belangrijk.

Vraag 4:

Het werk is vaak lichamelijk zwaar.

Vraag 5:

U heeft soms hele lange werkdagen.

Vraag 6:

De mensen op de foto’s werken in hotels en restaurants of cafés.

Dat is de horeca sector.

Lees de zinnen over deze beroepssector.

Klik dan op het goede antwoord.

Vraag 7:

Werken in een keuken is vaak druk; alles moet snel.

Vraag 8:

Een kok moet meestal een vakdiploma hebben.

Vraag 9:

U hoeft niet vaak schoon te maken.

Vraag 10:

U moet goed kunnen samenwerken.

Vraag 11:

In de horeca heeft u veel contact met de klanten.

Vraag 12:

De mensen op de foto’s werken in de verzorging.

Dat is de verzorgingssector.

Lees de zinnen over deze beroepssector.

Klik dan op het goede antwoord.

Vraag 13:

In de verzorging werkt u altijd met mensen.

Vraag 14:

U heeft bijna altijd een diploma nodig.

Vraag 15:

U moet veel weten over gezondheid.

Vraag 16:

In deze sector werken evenveel mannen als vrouwen.

Vraag 17:

In dit werk is Nederlands spreken en begrijpen nodig.

Vraag 18:

De mensen op de foto’s werken in de winkel.

Dat is de sector detailhandel.

Lees de zinnen over deze beroepssector.

Klik dan op het goede antwoord.

Vraag 19:

In een winkel werkt u altijd met mensen.

Vraag 20:

U moet vaak werken in ploegendienst.

Vraag 21:

U moet goed kunnen werken met lawaai.

Vraag 22:

U heeft in dit werk altijd een diploma nodig.

Vraag 23:

In deze sector moet u altijd netjes gekleed zijn.

Vraag 24:

De mensen op de foto’s werken in de bouw.

Dat is de bouwsector.

Lees de zinnen over deze beroepssector.

Klik dan op het goede antwoord.

Vraag 25:

In de bouw werkt u vooral alleen; niet veel samen.

Vraag 26:

U werkt in de bouw vaak met machines.

Vraag 27:

U moet gevoel hebben voor materialen.

Vraag 28:

U hoeft niet heel precies te werken.

Vraag 29:

In de bouw heeft u bijna altijd een vakdiploma nodig.